Decompositie

  • De leerling leert onderdelen van een groter geheel benoemen
    Tastbare zaken beschrijven (bijv. een boek heeft een kaft, een rug en bladzijden; een boom heeft een stam, takken en bladeren; een huis heeft muren, een dak, een deur en ramen). Vergelijken met niet-tastbare zaken (bijvoorbeeld: uit welke onderdelen bestaat een school? Maakt een school deel uit van iets groters? En uit welke onderdelen bestaat een jaar?). Daarna zelfs zaken die minder dichtbij de leefomgeving staan (bijv. een raket, een computer). Eventueel laten kennismaken met 3d-printpen: uit welke onderdelen bestaat een huis? Bouwtekening van een huis in delen 3d-printen en in elkaar zetten (kant-en-klare bouwtekening 2d). Wat gebeurt er als je een onderdeel weghaalt?
  • De leerling leert een eenvoudige taak opdelen in deeltaken
    Bij een echte of fictieve taak of doel beschrijven: wat heb ik daarvoor nodig, wie moet ik dingen vragen, wat moet ik doen? Eventueel combineren met een Beebot-activiteit: route met tussenstops laten lopen.
  • De leerling leert een complexere taak opdelen in deeltaken
    Het gaat er om dat ze complexere taken kunnen doorzien dan in groep 1/2. Hierbij kunnen leerlingen bijvoorbeeld samenwerkingsopdrachten doen waarbij iedereen een eigen taak heeft. Het zou ook over een taak kunnen gaan die wat langer duurt, waarvoor meer materialen nodig zijn of waarbij meer stappen gezet moeten worden.
  • De leerling leert een onderzoeksvraag opstellen met bijpassende deelvragen om tot een antwoord te komen op een vraag die hij interessant vindt
    Koppeling met onderzoekend leren.

Patroonherkenning

  • De leerling leert patronen herkennen in zijn eigen omgeving
    Benoemen van steeds terugkerende kenmerken van zaken in de leefomgeving van de leerling (bijv. in muziek, dans, eten, letters/woorden). Eventueel combineren met (muziek)experiment met Makey Makey.
  • De leerling leert concrete patronen herkennen, bijvoorbeeld in dans, muziek en afbeeldingen
    Bijvoorbeeld het verschil tussen een refrein en een couplet, een terugkerende beweging bij "just-dance".
  • De leerling leert concrete patronen herkennen en maken, bijvoorbeeld in dans, muziek, afbeeldingen en getallen
    Leerlingen maken zelf patronen door middel van geplande herhaling en kunnen benoemen hoe ze de patronen hebben gemaakt en waartoe dit heeft geleid.
  • De leerling leert patronen herkennen in geschiedenis, kunst en sociaal gedrag
    Bespreken welke patronen denkbaar zijn (oorlog, economische veranderingen, maar ook stromingen in de kunst en manieren waarop mensen met elkaar omgaan).
  • De leerling leert abstracte patronen herkennen en maken, bijvoorbeeld in taal, rekenen, ICT of W&T, met behulp van technologie
    Het kan hier bijvoorbeeld gaan om geheimschrift of morsecode schrijven of ontleden, maar ook over spelling (stroomschema's), cijferreeksen, tabellen en grafieken. Leerlingen leren bijvoorbeeld hoe ze een tabel of grafiek moeten maken met de computer.

Abstractie

  • De leerling leert concrete situaties in eigen woorden uitleggen
    Situaties op een foto of filmpje beschrijven en vertellen wat je denkt dat er aan de hand is. Eventueel ook emoties beschrijven: waarom is deze persoon blij/verdrietig/geschrokken? Welke kenmerken heeft deze situatie? Kun je soortgelijke situaties bedenken? Welke reactie kan iemand daarop hebben?
  • De leerling leert een concrete situatie vertalen naar een plan
    Meer beschrijvend (niet trial-and-error zoals bij kleuters, maar hoe vooruit en terug redeneren en debuggen), ook gericht op leertaak en schoolse activiteiten; kan ook met gedrag: welke regels hanteer je in bepaalde situaties, wat doe je als je ruzie hebt met iemand, wat doe je als het niet lukt met leren.
  • De leerling leert hoofdzaken herkennen in een taak, proces, verhaal of foto
    Leerlingen benoemen wat de hoofdzaak of het doel is van losse activiteiten in een echte of fictieve situatie.
  • De leerling leert de begrippen 'abstract' en 'abstractie' kennen in relatie tot het begrip 'concreet'
    Wat is het verschil tussen abstract en concreet? Wat is de toegevoegde waarde van abstractie? Bijvoorbeeld leerlingen kunnen de belangrijkste stukken informatie uit een tekst halen en kunnen dit benoemen.
  • De leerling leert gegevens weergeven in een conceptueel model
    Het gaat erom dat leerlingen in staat zijn zaken in de werkelijkheid te vertalen naar variabelen die zich in een model op een bepaalde manier tot elkaar verhouden (bijv. relatiecirkel in Nieuwsbegrip of een stroomschema).

Algoritmes

  • De leerling leert coderen met fysieke of digitale blokken of symbolen
    Met behulp van Codewise (fysieke symbolen), Let's Go Code (fysieke matten en symbolen), Qobo (fysieke en digitale symbolen/blokken), Scratch Jr (digitale blokken), Dash (fysieke en digitale symbolen/blokken) of Cubetto (fysieke blokken).
  • De leerling leert algoritmes beoordelen op bruikbaarheid in verschillende situaties
    Opeenvolgende handelingen in verschillende (dagelijkse) situaties laten bekijken, uitvoeren en debuggen, bijv. eerst op basis van de hagelslagrobot. Eenzelfde algoritme (handelingen stapsgewijs uitvoeren) in verschillende situaties toepassen: wanneer gaat dat goed en wanneer niet?
  • De leerling leert met behulp van technologie een eenduidig probleem oplossen door een stappenplan te maken
    Met behulp van fysieke blokken en later eventueel digitale codeblokken maken leerlingen een stappenplan (schrijven ze een algoritme) dat ze (laten) uitvoeren door een andere leerling, een robot of de computer.
  • De leerling leert stappenplannen debuggen door ze na te lopen en te testen op fouten
    Bijvoorbeeld door leerlingen een routebeschrijving te laten maken door de school. Andere leerlingen volgen deze routebeschrijving. Zit er een fout in (bug) dan aanpassen.
  • De leerling leert het begrip 'algoritme' kennen
    https://youtu.be/tnFpYaZRyTQ
  • De leerling leert hoe het begrip 'algoritme' samenhangt met alledaagse situaties
    Spreken over voorbeelden als de AH zelfscanner en de kijklijst op Netflix.
  • De leerling leert hoe het begrip 'algoritme' samenhangt met technologie
    Leerlingen begrijpen dat technologische middelen door de mens worden geprogrammeerd om (herhaald) bepaalde stappen uit te voeren en zo een bepaald resultaat te bewerkstelligen.

Automatisering

  • De leerling leert hoe hij een computer of robot repetitieve taken kan laten uitvoeren
    De leerling een Beebot, Ozobot, Duplo Coding Express of Qobo laten programmeren, eventueel eerst de hagelslagrobot.
  • De leerling leert hoe automatisering de samenleving beïnvloedt
    Eerst: welke stappenplannen zitten in ons hoofd en handelen? Hoe zit dat voor computers en robots? Waar zitten computers in? Hoe gaan mensen om met robots? Wat voor robots kennen we? Wanneer is iets een robot?
  • De leerling leert een algoritme uitvoeren met behulp van technologie of een programmeertaal
    Leerlingen gaan aan de slag met bijvoorbeeld Sonic PI of Scratch en leren wat variabelen, loops, conditionals (als-dan-constructies) en functies zijn.

Probleemoplossen

  • De leerling leert problemen herkennen in zijn eigen leefomgeving
    Bespreken wanneer iets een probleem is en wanneer niet én wat mogelijke oplossingen van een probleem zijn. Wanneer is een oplossing goed en wanneer niet?
  • De leerling leert reflecteren op de stappen die hij nam om een probleem op te lossen
    Leerlingen kunnen terugblikken op keuzes die ze hebben gemaakt om (beredeneerd) tot een bepaald resultaat te komen; het begin van debuggen.
  • De leerling leert nadenken over hoe een computer of robot een probleem kan oplossen
    Bespreken van voorbeelden van robotisering in de maatschappij en de rol van de computer. Welke problemen zijn al opgelost met behulp van technologie? Welke problemen moeten opgelost worden? Welke rol speelt de mens daarbij?
  • De leerling leert stapsgewijs een ontwerp maken als oplossing voor een authentiek probleem in zijn leefomgeving dat hij uittest en evalueert
    Het gaat erom dat de leerling zijn probleemoplossend vermogen laat zien: hij beschrijft een probleem, hij bedenkt een of verschillende oplossingen, hij benoemt de stappen die doorlopen moeten worden, hij doorloopt deze stappen en test of het resultaat overeenkomt met de door hem bedachte oplossing.